Sonnetten voor een vergeten muze (fragmenten)
1. een vergeten muze
zeus geen vader en moeder geen mnemosyne
zullen de komedie of tragedie van het leven
noch de heldendaden gegoten in een hymne
of episch gedicht uw gemoed doen beven
niet de parnassus zult gij bewonen dansend
en fluitspelend om apollo gepast te vereren
aan de helicon worden minnaars verkwanseld
in uw afwezigheid tel de gele hemelberen
zal dan niemand u verhalen van verleden
en wie mag uw schoonheid verliefd bezingen
blijven alle dichters doof voor uw smeekbeden
neen laat mij de goden bestrijden en dwingen
u op te nemen in hun uitgelezen gezelschap
en ik zal uw dichter zijn zonder boodschap
3. thalia
schaterend lik je de slagroom uit dit gedicht
een geluid van regen op een zinken dak ontsnapt
uit de ijzeren greep van dit zoveelste jongste gericht
iedere grap de laatste voordat alles in elkaar klapt
als iemand valt moeten de anderen altijd lachen
ik zie jouw ogen over de tafel rollen in spastische
kronkels de bewegingen worden verfijnd als rag en
elk woord poëzie is ongepast slechts een pastiche
clowns schijnen ontdaan van schmink steeds ongelukkig
en de komiek hangt zich te kijk aan de zoldering
onwillig gaan de ogen terug in de kassen nukkig
wordt de zijden conversatie een juten stoffering
op de weegschaal wordt de zoeternij genadeloos even
ik weet: er moet meer gelachen worden in het leven
7. urania
zie uw neven en nichten het luchtruim
bevolken vast op hun rechte plaats
geen tijd hier voor scherts en luim
de zeeman wijst droevig aan zijn maats
waar zijn liefde onder een andere hemel
wacht romantiek van een hemellichaam
verontrust hem het gejaag en gefemel
der goden zo rusteloos en polygaam
ontroerd vallen wij op de knieën
nietigheid in genade gedrenkt
wijdlopige dromen en fantasieën
maar hoor de kijker denkt
terwijl hij ratio wil heten
ik wil alles alles weten
(C. Gijsen. Eerder gepubliceerd in 'Sonnetten voor een vergeten muze'; een uitgave van Bahama Press, zomer 1982)
1. een vergeten muze
zeus geen vader en moeder geen mnemosyne
zullen de komedie of tragedie van het leven
noch de heldendaden gegoten in een hymne
of episch gedicht uw gemoed doen beven
niet de parnassus zult gij bewonen dansend
en fluitspelend om apollo gepast te vereren
aan de helicon worden minnaars verkwanseld
in uw afwezigheid tel de gele hemelberen
zal dan niemand u verhalen van verleden
en wie mag uw schoonheid verliefd bezingen
blijven alle dichters doof voor uw smeekbeden
neen laat mij de goden bestrijden en dwingen
u op te nemen in hun uitgelezen gezelschap
en ik zal uw dichter zijn zonder boodschap
3. thalia
schaterend lik je de slagroom uit dit gedicht
een geluid van regen op een zinken dak ontsnapt
uit de ijzeren greep van dit zoveelste jongste gericht
iedere grap de laatste voordat alles in elkaar klapt
als iemand valt moeten de anderen altijd lachen
ik zie jouw ogen over de tafel rollen in spastische
kronkels de bewegingen worden verfijnd als rag en
elk woord poëzie is ongepast slechts een pastiche
clowns schijnen ontdaan van schmink steeds ongelukkig
en de komiek hangt zich te kijk aan de zoldering
onwillig gaan de ogen terug in de kassen nukkig
wordt de zijden conversatie een juten stoffering
op de weegschaal wordt de zoeternij genadeloos even
ik weet: er moet meer gelachen worden in het leven
7. urania
zie uw neven en nichten het luchtruim
bevolken vast op hun rechte plaats
geen tijd hier voor scherts en luim
de zeeman wijst droevig aan zijn maats
waar zijn liefde onder een andere hemel
wacht romantiek van een hemellichaam
verontrust hem het gejaag en gefemel
der goden zo rusteloos en polygaam
ontroerd vallen wij op de knieën
nietigheid in genade gedrenkt
wijdlopige dromen en fantasieën
maar hoor de kijker denkt
terwijl hij ratio wil heten
ik wil alles alles weten
(C. Gijsen. Eerder gepubliceerd in 'Sonnetten voor een vergeten muze'; een uitgave van Bahama Press, zomer 1982)
Het Geheim van de Toekomst
1. Vooruit
Ik heb vreemde verlangens en heb soms visioenen
Met een moordend ritme malen dan mijn spanen
Alles wil ik namelijk, kijk maar naar mijn schoenen
Waar ben ik niet geweest, in al mijn wanen
Ik wil rijk worden - alles zien, beleven en doen
Een huis bouwen, een boom planten en vader worden
Rijk wanneer ik alles krijg en zal ik mijn tijd niet verdoen
Dan ligt in het verschiet het hogere, de betere orde
Wordt hij rijk! De roerganger schreeuwt - geef hem iets te eten
Roep hard, schreeuw om een Smithoniaans laat-maar-gaan
Een leugen is altijd een leugen, dat moet je blijven weten
En ook bij mij klapten soms doffe dreunen tegen mijn hemel aan
Maar ik ga door en in een tempo, wat heet - ik roei, roei
Wat kun je weten – wie antwoordt mij op wat ik vraag
Niemand komt het je brengen, dus opnieuw bij elke boei
Je moet zelf keren, hoewel mijn zus boos wordt als ik u niet behaag
2. Rotgans
Het verdergaan gaat met een bons en een knal - slaan, slaan
Niet altijd kom je waar je wilt, kom je er zo voorspoedig
Vraag niet kom ik hier nog terug? – Nee, we moeten verder gaan
Vooruit, laten we gaan – mijn broeder is dan vaak al te moedig
Je kunt gaan, ga maar verder, doe het – You are free to go
Maar je bent verantwoordelijk voor wat je bouwt, het is een grote bult
Fluister het maar in mijn oor – let op, let op Murphy’s law
En steeds een roze flamingo die zich veeg om mijn vragen krult
Ondernemen is vooruitzien – en ben je voor het overige verplicht
Om succesvolle jaren later, demonstratief op je vader te gaan lijken
Heilige grond, ontstoken rond de paradox van het grote licht
Ondanks al mijn kinderen - Cats’ hind’ren - die mijn leven verrijken
Eenmaal volwassen is er dan een visie, algemeen en in balans
Een wolk van klappende wieken die langzaam opstijgt boven het graf
Van mijn jeugd, mijn dromen, de kromme snavel van de gans
En staat vast de toekomst voorspellen kan alleen achteraf
(L. Mesh. Eerder gepubliceerd in: Conjunctuur van het Gevoel, een uitgave van Fontys Bedrijfshogeschool, december, 2001)
1. Vooruit
Ik heb vreemde verlangens en heb soms visioenen
Met een moordend ritme malen dan mijn spanen
Alles wil ik namelijk, kijk maar naar mijn schoenen
Waar ben ik niet geweest, in al mijn wanen
Ik wil rijk worden - alles zien, beleven en doen
Een huis bouwen, een boom planten en vader worden
Rijk wanneer ik alles krijg en zal ik mijn tijd niet verdoen
Dan ligt in het verschiet het hogere, de betere orde
Wordt hij rijk! De roerganger schreeuwt - geef hem iets te eten
Roep hard, schreeuw om een Smithoniaans laat-maar-gaan
Een leugen is altijd een leugen, dat moet je blijven weten
En ook bij mij klapten soms doffe dreunen tegen mijn hemel aan
Maar ik ga door en in een tempo, wat heet - ik roei, roei
Wat kun je weten – wie antwoordt mij op wat ik vraag
Niemand komt het je brengen, dus opnieuw bij elke boei
Je moet zelf keren, hoewel mijn zus boos wordt als ik u niet behaag
2. Rotgans
Het verdergaan gaat met een bons en een knal - slaan, slaan
Niet altijd kom je waar je wilt, kom je er zo voorspoedig
Vraag niet kom ik hier nog terug? – Nee, we moeten verder gaan
Vooruit, laten we gaan – mijn broeder is dan vaak al te moedig
Je kunt gaan, ga maar verder, doe het – You are free to go
Maar je bent verantwoordelijk voor wat je bouwt, het is een grote bult
Fluister het maar in mijn oor – let op, let op Murphy’s law
En steeds een roze flamingo die zich veeg om mijn vragen krult
Ondernemen is vooruitzien – en ben je voor het overige verplicht
Om succesvolle jaren later, demonstratief op je vader te gaan lijken
Heilige grond, ontstoken rond de paradox van het grote licht
Ondanks al mijn kinderen - Cats’ hind’ren - die mijn leven verrijken
Eenmaal volwassen is er dan een visie, algemeen en in balans
Een wolk van klappende wieken die langzaam opstijgt boven het graf
Van mijn jeugd, mijn dromen, de kromme snavel van de gans
En staat vast de toekomst voorspellen kan alleen achteraf
(L. Mesh. Eerder gepubliceerd in: Conjunctuur van het Gevoel, een uitgave van Fontys Bedrijfshogeschool, december, 2001)
Conjunctuur van het gevoel. Fontys Bedrijfshogeschool. December 2001. Met bijdragen van C. Gijsen en L. Mesh.)
De voorspelbaarheid van het geluk (fragmenten)
naar Hans Lodeizen
I.
Redenen om je leven vast te leggen
Als stenen op wapperend tentzeil
Steeds maar naar het westen lopen
Doch de wereld draait andersom
Inzicht is synoniem met lethargie
Als beweging het uitgangspunt is
Maar dan een zachte rugwind
Die teder dwingend zweven laat
Als de regen dan wonden valt
Wordt de paraplu erbij gedacht
II.
Zegt de glanzende jongeman
Dat poëzie hem zo gelukkig maakt
“Venetië is zo mooi bij nacht
Als het water de zee verdrinkt
Mijn haren kleuren de huizen geel
In hun hoogmoedige ouderdom
En deze zon die de lijven
Bruin kust in een diepe slaap
Was Lord Byron hier al eerder
In de schaduw van dronken matrozen
Dichters houden immer vast
Aan de ruwheid van een mannenhuid
Als de dag kwijnt onder de druk
Van haar eigen zwaarlijvigheid”
Zegt de glanzende jongeman
Dat poëzie hem zo gelukkig maakt
(C. Gijsen. Eerder gepubliceerd in Bananenijs 11, najaar 1981)
naar Hans Lodeizen
I.
Redenen om je leven vast te leggen
Als stenen op wapperend tentzeil
Steeds maar naar het westen lopen
Doch de wereld draait andersom
Inzicht is synoniem met lethargie
Als beweging het uitgangspunt is
Maar dan een zachte rugwind
Die teder dwingend zweven laat
Als de regen dan wonden valt
Wordt de paraplu erbij gedacht
II.
Zegt de glanzende jongeman
Dat poëzie hem zo gelukkig maakt
“Venetië is zo mooi bij nacht
Als het water de zee verdrinkt
Mijn haren kleuren de huizen geel
In hun hoogmoedige ouderdom
En deze zon die de lijven
Bruin kust in een diepe slaap
Was Lord Byron hier al eerder
In de schaduw van dronken matrozen
Dichters houden immer vast
Aan de ruwheid van een mannenhuid
Als de dag kwijnt onder de druk
Van haar eigen zwaarlijvigheid”
Zegt de glanzende jongeman
Dat poëzie hem zo gelukkig maakt
(C. Gijsen. Eerder gepubliceerd in Bananenijs 11, najaar 1981)
Mijn hond was een Marxist
Bakoenin of Groucho
Zou mijn hond gaan heten
Zo was ik toen
Die hond dat was een speels beest – zwart, vandaar
Met te veel verlatingsangst
Het werd een Marx-broertje
Omdat de wisecracks in mijn oren explodeerden
Toen ik hen voor het eerst zag
One morning I shot an elephant in my pajamas.
How he got in my pajamas I’ll never know
Zij kliederden hun anarchistisch manifest
Op de bonkige Margaret Dumont
Maar met haar had ik geen meelij,
De celluloidfeeks
Margaret: I’m afraid after we’re married
a beautiful girl will come along and you’ll forget all about me.
Groucho: Don’t be silly. I’ll write you twice a week.
Later las ik zijn brieven met evenveel plezier
Aan vijand en vriend, broers en presidenten
I don’t care to belong te any organization
that will accept me as a member
Sindsdien is mijn parool gelijk bij
krokodillentranen, vals sentiment, huichelarij
jaloezie, aanhoudende klaagzang, kuiperij,
Idols, Big Brother of Fear Factory:
PLET ZE GENADELOOS, RUFUS T. FIREFLY
(Ook de hond was onhoudbaar)
(J. Haehn, 1981/recycled 2003)
Bakoenin of Groucho
Zou mijn hond gaan heten
Zo was ik toen
Die hond dat was een speels beest – zwart, vandaar
Met te veel verlatingsangst
Het werd een Marx-broertje
Omdat de wisecracks in mijn oren explodeerden
Toen ik hen voor het eerst zag
One morning I shot an elephant in my pajamas.
How he got in my pajamas I’ll never know
Zij kliederden hun anarchistisch manifest
Op de bonkige Margaret Dumont
Maar met haar had ik geen meelij,
De celluloidfeeks
Margaret: I’m afraid after we’re married
a beautiful girl will come along and you’ll forget all about me.
Groucho: Don’t be silly. I’ll write you twice a week.
Later las ik zijn brieven met evenveel plezier
Aan vijand en vriend, broers en presidenten
I don’t care to belong te any organization
that will accept me as a member
Sindsdien is mijn parool gelijk bij
krokodillentranen, vals sentiment, huichelarij
jaloezie, aanhoudende klaagzang, kuiperij,
Idols, Big Brother of Fear Factory:
PLET ZE GENADELOOS, RUFUS T. FIREFLY
(Ook de hond was onhoudbaar)
(J. Haehn, 1981/recycled 2003)
Found poetry I: Don’t tourist me – I’m doin’ the Graveyard Trail
proloog
Schwabs Pharmacy
Waar Lana Turner werd ontdekt
En dan
Rust zoeken bij graven
I
Marilyn Monroe natuurlijk,
Maar ook Natalie Wood,
en later Jack Lemmon,
Walter Matthau:
Westwood Memorial Cemetery
II
Walt Disney, Errol Flynn, Nat ‘King’ Cole,
Chico en Gummo Marx,
James Stewart en
In de verboden sectie
Humphrey Bogart
En Clark Gable, vlakbij een glas-in-loodversie
van DaVinci’s Laatste avondmaal:
Glendale Forest Lawn Cemetery
III
Douglas Fairbanks, Tyrone Power,
Rudolph Valentino, Nelson Eddy,
Peter Lorre, Janet Gaynor:
Hollywood Forever Cemetery
(voorheen: Hollywood Memorial Park)
IV
En ‘s avonds ook nog genieten
Bij het Griffith Park Observatory
Waar ooit James Dean
Zich met een mes moest verdedigen
epiloog
Jaren later kan ik de doden
nauwelijks terugvinden
Hun begraafplekken dragen andere namen
Modieuzere, want zelfs dode filmsterren
Moeten de kassa spekken
for the sequel:
Tweeëntwintig jaar later
Brandt de vraag nog immer:
Waar ligt actrice Flickenschildt, Elisabeth
In haar houten jas
(J. Haehn, 1981, recycled 2003)
proloog
Schwabs Pharmacy
Waar Lana Turner werd ontdekt
En dan
Rust zoeken bij graven
I
Marilyn Monroe natuurlijk,
Maar ook Natalie Wood,
en later Jack Lemmon,
Walter Matthau:
Westwood Memorial Cemetery
II
Walt Disney, Errol Flynn, Nat ‘King’ Cole,
Chico en Gummo Marx,
James Stewart en
In de verboden sectie
Humphrey Bogart
En Clark Gable, vlakbij een glas-in-loodversie
van DaVinci’s Laatste avondmaal:
Glendale Forest Lawn Cemetery
III
Douglas Fairbanks, Tyrone Power,
Rudolph Valentino, Nelson Eddy,
Peter Lorre, Janet Gaynor:
Hollywood Forever Cemetery
(voorheen: Hollywood Memorial Park)
IV
En ‘s avonds ook nog genieten
Bij het Griffith Park Observatory
Waar ooit James Dean
Zich met een mes moest verdedigen
epiloog
Jaren later kan ik de doden
nauwelijks terugvinden
Hun begraafplekken dragen andere namen
Modieuzere, want zelfs dode filmsterren
Moeten de kassa spekken
for the sequel:
Tweeëntwintig jaar later
Brandt de vraag nog immer:
Waar ligt actrice Flickenschildt, Elisabeth
In haar houten jas
(J. Haehn, 1981, recycled 2003)
Found poetry V: Ach, arme dichter
Hij ploegt
door zijn
gedachten
Breekt
oude woorden
en bouwt
nieuwe zinnen
Ach, arme dichter
Zo zinloos
want de fraaiste
staan gewoon in
de krant
de Volkskrant
Het puttertje
bespeurt
een kraag
(J. Haehn, november 2004, recycled 2011)
Hij ploegt
door zijn
gedachten
Breekt
oude woorden
en bouwt
nieuwe zinnen
Ach, arme dichter
Zo zinloos
want de fraaiste
staan gewoon in
de krant
de Volkskrant
Het puttertje
bespeurt
een kraag
(J. Haehn, november 2004, recycled 2011)
Drie versjes voor mijn dochter
I:
als circus nog sirkus is
en een auto een ootoo
een schip een sgip
en een boot net zo gemakkelijk een bood
dan is er nog overzicht
kun je alles tellen
op de vingers van één hand
dan schijnt er geen tegenlicht
word jij duizend jaar of tweehonderd
en vreemd genoeg leven wij dan ook nog steeds
in het huis naast dat van jou
want zo heb jij dat voorzien
als jij zelf moeder bent
en het circus
nooit meer sirkus wordt
II:
Haar paardenstaart danst met haar mee
op weg naar het schoolplein
een veilige bocht om een grote hond
spelende kinderen
morgen al volwassen zorgen
ze zwaait ze blaast een kinderkus
in de lucht het is koud
die kus is zomaar een witte adempluim
al weg
Vaderland
III:
Koppig blijft het zondagskind
Boven in het klimrek
Het wil niet dat hij gaat
Na deze uren van verwennerij
Pas als hij ongeduldig dreigt
Zijn volgende bezoek te verzuimen
Zakt het kind omlaag
Neemt het gedwee de mannenhand
En schikt het zich mokkend
Op de zachte achterbank
(Vader heeft een nieuwe Citroën)
(J. Haehn, 1980 recycled 2003)
I:
als circus nog sirkus is
en een auto een ootoo
een schip een sgip
en een boot net zo gemakkelijk een bood
dan is er nog overzicht
kun je alles tellen
op de vingers van één hand
dan schijnt er geen tegenlicht
word jij duizend jaar of tweehonderd
en vreemd genoeg leven wij dan ook nog steeds
in het huis naast dat van jou
want zo heb jij dat voorzien
als jij zelf moeder bent
en het circus
nooit meer sirkus wordt
II:
Haar paardenstaart danst met haar mee
op weg naar het schoolplein
een veilige bocht om een grote hond
spelende kinderen
morgen al volwassen zorgen
ze zwaait ze blaast een kinderkus
in de lucht het is koud
die kus is zomaar een witte adempluim
al weg
Vaderland
III:
Koppig blijft het zondagskind
Boven in het klimrek
Het wil niet dat hij gaat
Na deze uren van verwennerij
Pas als hij ongeduldig dreigt
Zijn volgende bezoek te verzuimen
Zakt het kind omlaag
Neemt het gedwee de mannenhand
En schikt het zich mokkend
Op de zachte achterbank
(Vader heeft een nieuwe Citroën)
(J. Haehn, 1980 recycled 2003)
Elk woord telt van J. Haehn, januari 2005
De invitatie voor "Elk woord telt' en de antwoorden van vier Gevulde Heren.
Oerknal
De plofmeester eerste klas nadert het verdachte valies dat onder het kroepoekdak van het NS-station is achtergelaten. Een bejaarde dame op weg naar Den Bosch zag de koffer als eerste en waarschuwde opgewonden de perronchef, de perronchef schakelde de spoorwegpolitie in, de spoorweg-politie belde de politie en de politie de EOD. Hij had dienst en daarom was hij hier, met zijn collega. Actie, had hij gedacht. Gelukkig. Hij was het doodtijd beu. In de kazerne en thuis trouwens ook.
Heb ik de parkeermeter eigenlijk wel gevuld, vraagt hij zich af terwijl hij de koffer met zijn draagbare röntgenapparaat bestraalt. Het apparaat hapert. Verdomme. Niet defect raken, we hebben geen reserve meegenomen. Hij ergert zich dat hij weer hardop in zichzelf praat. Dat gebeurt steeds vaker de laatste tijd. Nog anderhalf jaar tot de vut.
Met zandzakjes hebben hij en zijn kompaan een damwand rond de koffer gebouwd. De koffer – een klein maatje Delsey - staat achter een gekromde pilaar, tussen het weggegooide fruit, het ene klokhuis nog rotter dan het andere. Hij wil dat het loos alarm is. Ze kunnen de koffer niet risicoloos afvoeren; het moet hier op dit tochtige perron gebeuren. Hij kijkt om zich heen. Het station ligt absoluut ongunstig. Te dicht bij de weg, bij nieuwe flatgebouwen, bij de bebouwing aan de overzijde van de straat. Hij ziet aan de andere kant de bankfilialen en de financiële instellingen, de wereld van zelfverrijking, overnames en dubbelboekhouden. Hij heeft de schurft aan die wereld, niet alleen dankzij zijn Dexia-zeperd. Het liefst zou hij dit podium van de woekeraars laten ontploffen. In een allesverzengende explosie. Hoewel, liever een neutronenbom: de gebouwen blijven staan, maar de krijtstreeppakken en de mantelpakjes zijn geëlimineerd. Zijn dienst heeft niet eens geld genoeg voor een uitbreiding met één fte, voor de vervanging van haperend materieel. Maar dat is deels ook te danken aan het onbenul van zijn superieuren, die het weer op de top van het ministerie afschuiven. Thuis, als hij in bad ligt te mijmeren, bidt hij wel eens om hun ondergang. Maar hij is zijn werk en zijn collega’s gewoon trouw gebleven, wat moet hij anders op zijn leeftijd.
Hij luistert met een stethoscoop naar de koffer, het instrument gebruikt hij al bijna dertig jaar. Hij schrikt als hij van zijn collega beneden via de portofoon hoort dat de burgemeester is gearriveerd. Of hij die eerst te woord kan staan. Natuurlijk. De burgemeester gaat voor, antwoordt hij. De koffer kan wachten. Hij loopt het perron af, in de richting van de wasknijper en ziet de afgesloten verkeersader, de politiewagens. Hij voelt zich even heerser over het heelal. En denkt dan: een terroristische aanslag in Tilburg! Hoewel, misschien van radicale esthetici. De Becht Brigade of zo. De stad kan wel een oerknal gebruiken, concludeert hij.
Zou hij zo meteen...
(J. Haehn, januari 2005)
De plofmeester eerste klas nadert het verdachte valies dat onder het kroepoekdak van het NS-station is achtergelaten. Een bejaarde dame op weg naar Den Bosch zag de koffer als eerste en waarschuwde opgewonden de perronchef, de perronchef schakelde de spoorwegpolitie in, de spoorweg-politie belde de politie en de politie de EOD. Hij had dienst en daarom was hij hier, met zijn collega. Actie, had hij gedacht. Gelukkig. Hij was het doodtijd beu. In de kazerne en thuis trouwens ook.
Heb ik de parkeermeter eigenlijk wel gevuld, vraagt hij zich af terwijl hij de koffer met zijn draagbare röntgenapparaat bestraalt. Het apparaat hapert. Verdomme. Niet defect raken, we hebben geen reserve meegenomen. Hij ergert zich dat hij weer hardop in zichzelf praat. Dat gebeurt steeds vaker de laatste tijd. Nog anderhalf jaar tot de vut.
Met zandzakjes hebben hij en zijn kompaan een damwand rond de koffer gebouwd. De koffer – een klein maatje Delsey - staat achter een gekromde pilaar, tussen het weggegooide fruit, het ene klokhuis nog rotter dan het andere. Hij wil dat het loos alarm is. Ze kunnen de koffer niet risicoloos afvoeren; het moet hier op dit tochtige perron gebeuren. Hij kijkt om zich heen. Het station ligt absoluut ongunstig. Te dicht bij de weg, bij nieuwe flatgebouwen, bij de bebouwing aan de overzijde van de straat. Hij ziet aan de andere kant de bankfilialen en de financiële instellingen, de wereld van zelfverrijking, overnames en dubbelboekhouden. Hij heeft de schurft aan die wereld, niet alleen dankzij zijn Dexia-zeperd. Het liefst zou hij dit podium van de woekeraars laten ontploffen. In een allesverzengende explosie. Hoewel, liever een neutronenbom: de gebouwen blijven staan, maar de krijtstreeppakken en de mantelpakjes zijn geëlimineerd. Zijn dienst heeft niet eens geld genoeg voor een uitbreiding met één fte, voor de vervanging van haperend materieel. Maar dat is deels ook te danken aan het onbenul van zijn superieuren, die het weer op de top van het ministerie afschuiven. Thuis, als hij in bad ligt te mijmeren, bidt hij wel eens om hun ondergang. Maar hij is zijn werk en zijn collega’s gewoon trouw gebleven, wat moet hij anders op zijn leeftijd.
Hij luistert met een stethoscoop naar de koffer, het instrument gebruikt hij al bijna dertig jaar. Hij schrikt als hij van zijn collega beneden via de portofoon hoort dat de burgemeester is gearriveerd. Of hij die eerst te woord kan staan. Natuurlijk. De burgemeester gaat voor, antwoordt hij. De koffer kan wachten. Hij loopt het perron af, in de richting van de wasknijper en ziet de afgesloten verkeersader, de politiewagens. Hij voelt zich even heerser over het heelal. En denkt dan: een terroristische aanslag in Tilburg! Hoewel, misschien van radicale esthetici. De Becht Brigade of zo. De stad kan wel een oerknal gebruiken, concludeert hij.
Zou hij zo meteen...
(J. Haehn, januari 2005)
Zou hij zometeen ...
... in de koffer in plaats van een bom een hermetisch gedicht aantreffen?
Hij mijmerde ...
Kroepoek in de parkeermeter
Beetje kroepoek in de parkeermeter
Is absoluut de weg tot een defect
Apparaat - trekken ze je wel aan je veter,
parkeerwachter, dit heeft echt effect
Dat is het doodtij voor alle tillers, dames
Geen wielklemmen en stille overnames
In bad trouw wegen gaan tot zelfverrijking
Je weet hoe meer je het doet, des te rotter
Alleen nog de stap zetten naar uitbreiding
Wanneer schaap over de dam, is tot slot er
De plofmeester die zich richt tot de onbenul
Gewoon kwestie van dubbelboekhouden, lul
De plofmeester eerste klas was een beetje de draad kwijt.
Het gedicht was als een bom ingeslagen.
(Hole in one, Mesh, jan. '05)
... in de koffer in plaats van een bom een hermetisch gedicht aantreffen?
Hij mijmerde ...
Kroepoek in de parkeermeter
Beetje kroepoek in de parkeermeter
Is absoluut de weg tot een defect
Apparaat - trekken ze je wel aan je veter,
parkeerwachter, dit heeft echt effect
Dat is het doodtij voor alle tillers, dames
Geen wielklemmen en stille overnames
In bad trouw wegen gaan tot zelfverrijking
Je weet hoe meer je het doet, des te rotter
Alleen nog de stap zetten naar uitbreiding
Wanneer schaap over de dam, is tot slot er
De plofmeester die zich richt tot de onbenul
Gewoon kwestie van dubbelboekhouden, lul
De plofmeester eerste klas was een beetje de draad kwijt.
Het gedicht was als een bom ingeslagen.
(Hole in one, Mesh, jan. '05)